In het hostel sloten we de dag af met raki, buiten op het terras aan het water. Het was het eerste moment om te reflecteren, om na te praten. Voor het eerst ook een moment waarop ik mijn gedachten kon ordenen. Er is zoveel gebeurd dat ik niet kan bevatten. Een hele intense ervaring, iets wat me niet vaak gebeurd. Ik ben er wel heel blij mee. Geen antwoorden, alleen vragen. Dat ging zo.

We starten de dag met een rondleiding van Sanya. Zij is Servisch, maar woont al een tijd in Amsterdam. We lopen naar Branko's Bridge, de brug waar we vanuit onze werkruimte KC Grad op uitkijken. De brug verbindt het nieuwe en het oude Belgrado. In een oorlog vanzelfsprekend van strategisch belang. Sanya vertelt dat de bewoners van Belgrado de brug wilde beschermen, maar ze hadden geen echte middelen. Ze verzamelden daarom op de brug en hielden elkaars hand vast. Een lange keten van mensen die zei: 'Brug kapot, wij kapot.' Het tekent de wanhoop, de angst, de kracht die bij een oorlog los komt. Zelf houden we ook even elkaars handen vast, 20 mensen op een woensdagochtend, terwijl het verkeer voorbij jakkert. Het voelt speciaal, uitkijkend over het water, naar de andere twee bruggen.
Met deze overpeinzingen gaat de rondleiding verder. We komen in het rijke gedeelte, waar het eindelij rustig is. De geluiden van de stad blijven ver weg van de kronkelende straten en het uitzicht over de rivier. In de jaren 90 waren hier feesten, met kunstenaars die uit onvrede samenkwamen en creëerden. Het maakt dat we de vraag stellen: moet je ongelukkig zijn om kunst te maken? Is het niet zo dat geluk veilig maakt en veilig maakt veilige kunst? Het zijn vragen die mijn hoofd op hol brengen. Een quote: Whenever the ground is slippery, creativity comes. Een mooie metafoor; geen moeras waar je in vast zit, maar ook niet de veilige klinkerstraat. Is het je taak - veel wordt hier verpakt in grote vragen - of je verantwoordelijkheid als kunstenaar om zelf de gladde ondergrond te maken? Of om die op te zoeken?
Verantwoordelijkheid als kunstenaar. Twee woorden die voor mij te groot blijken om te bevatten. Is een kunstenaar dan iets anders dan een mens? Heeft niet elk mens een verantwoordelijkheid? Naar zichzelf, naar zijn omgeving, naar de wereld. En voor je het weet praat je in containerbegrippen. Begrijp me goed, ik ben blij met het proces dat op gang komt. Maar ik vind het moeilijk om met een videocamera op me gericht antwoorden te geven. Het heeft tijd nodig. Het moet bezinken. Het moet gekoppeld aan mijn leven in Rotterdam. Dat kan ik niet een, twee, drie. Blijkt. En maar goed ook, dunkt me.
Goed. Brina - mijn partner voor de dag - en ik moeten weg; we ontmoeten twee Servische meiden om 1 uur onder de brug bij de Roma-rommelmarkt. Maar je kunt niet eens spreken van rommel. Het is afval. Tussen dat afval scharrelen, liggen, luieren, leven 20 mannen, met baardjes en buiken. Geen vrouw te bekennen, bedenk ik me later. Die zitten natuurlijk op straat te bedelen, met om zich heen een spelend kind. Dat woordje 'natuurlijk' is van belang. Allerlei vooroordelen worden namelijk geactiveerd zodra we de markt opstappen. De mannen zwermen ons heen en ik denk: zitten al mijn risten dicht? Ik denk ook: als ze willen kunnen ze alles afpakken, daar doe ik tegenover 20 mannen niets tegen. Ik moet hen vertrouwen. Daar moet ik mezelf wel eerst van overtuigen, want natuurlijk is het niet. Blijkt. Ook blijkt dat de mannen heel aardig zijn en graag met ons op de foto willen. Met wat Duits en hulp bij de vertaling van ons Engels leggen we contact. We struinen, onderhandelen en kopen. We krijgen de LP 'Like A Virgin' van Madonna cadeau van de grote baas, een man met weinig tanden. Anderhalf uur brengen we door op deze markt, een stortplaats onder een grote brug waar de Roma van de stad zijn geplaatst. Een gevangenis zonder tralies, denk ik bij mezelf. Opgeruimd staat netjes. Toch lijken de mannen het prima naar hun zin te maken. 'They didn't strike me as unhappy', zegt Brina. Zo was het. Fascinerend.
We gaan naar een rijke winkelstraat: Diesel, designerkleding, lelijke mannen en slanke vrouwen. Klinkt gechargeerd, is het het niet. We strijken neer bij de fontein en stallen ons waar uit: twee LP's, een bruine retrovaas, een hoornen zonnebril en een kapotte, goudkleurige armband. De mensen echter lopen zoals mensen in winkelstraten lopen: links en rechts kijkend, naar de etalages. Niet naar elkaar en zeker niet naar onze waar. We're even being frowned upon. Het past niet: wij hebben te weinig spullen om serieus voor marktkooplui door te gaan. Bovendien zitten we er met z'n tweeën en zien we er geheel niet Servisch uit. Mijn haar is bijvoorbeeld lang dan twee centimeter, iets wat in Belgrado voor de mannen uitzonderlijk is. Na anderhalf uur niets verkopen stappen we op. Ik ben dan behoorlijk somber geworden. In het begin was het verkopen nog wel aardig. Ik hield mezelf ook voor dat het een concept was. Maar na een tijdje ebt dat weg en ben ik alleen nog maar iemand die iets probeert te verkopen, die probeert gezien te worden, maar die afkeurend wordt aangekeken. Ik begin mij dan te schamen. Mijn visie over andere verkopers stel ik bij; natuurlijk kijken ze pissig en roken ze de hele dag, werkelijk niemand zit op ze te wachten, maar ze staan wel 10 uur per dag op hun poten. Voorstel: kijk volgende keer even aandachtig naar de man of vrouw achter een standje en niet naar de waar. Wat zie je?
Als je door mijn blog bladert, zul je zien dat ik niet veel schrijf. En als ik schrijf niet zo lang. Deze post is behoorlijk en dat zegt wat over de vele indrukken. Ik laat nu de helft van de dag nog weg. Het gaat maar door. Een achtbaan van emoties is een lege uitdrukking geworden, maar dekt in dit geval de lading. Het is nu dag 2. Deze dag is leeg. Op deze dag mag alles. Ik zet met deze post in op een contemplatieve dag. Me terugtrekken in het schrijven is heel aantrekkelijk. Het is het tegenovergestelde van performen, bedacht ik gisteren. Hoe ik mijn ervaringen hier kan koppelen aan mijn eigen schrijfpraktijk, weet ik nog niet. Het is een van de vele vragen die ik heb. Nog een: wat neem ik mee? En een gedachte: wat praten wij obligaat en volstrekt arrogant over oorlog voeren. Alsof wij ons echt kunnen voorstellen wat dat is. Dat kunnen we niet. Dus we moeten daarmee stoppen. Of erover gaan leren. In steden zoals Belgrado. En zo, beste lezer, trek ik te midden van al mijn vragen toch een conclusie. De vraag is: maakt het voor jou wat uit?